Uit het dagboek van een onbestorven weduwe – 64

www.nahverborgenkopzorgenweb.wordpress.com

Onderaan de dijk heb ik plaatsgenomen op een gemetseld muurtje dat uitzicht biedt op het water. Schepen varen er traag voorbij. Het water dat zij laten rimpelen spat in geuren uiteen op de keien langs de kant. Ik ruik ze. Het ruikt naar zomerse loomheid. Dat versterkt de eenzaamheid die ik hier zoek. Het geeft me kracht om verder te gaan. Niemand moet mij hier nu komen storen.
Boven me, op de dijk, hoor ik stemmen. Een vader, twee kinderen. De oudste jongen, een jaar of negen, zo schat ik, komt naar beneden gelopen en gaat vlak naast me zitten. Even denk ik: – Getver, het is gedaan met mijn rust.
Maar deze jongen is anders. Hij kijkt naar de schepen en verzucht:
– O, wat mooi.
Met alle vezels van zijn lichaam beleeft hij de schoonheid van het vaartuig dat bezig is ons te passeren.
– O, wat mooi, klinkt het nog eens. Verrukt deze keer. Hij is intens gelukkig met dit moment van genot.
–Papa, Theo, kom hier, kom kijken, het is zo mooi. O, wat mooi. Het is zo mooi.
Ontelbare malen herhaalt hij zijn zinnen in andere volgorden. De urgentie die hij erin legt, wordt steeds groter. Papa en Theo blijven boven aan de dijk staan happen in een ijsje. Het lijkt wel alsof de vreugde, het geluk van het kind langs hen heen gaat. Er komt geen beweging in het tweetal. Zijn verrukking ontgaat hen.
– O, zo mooi, zegt hij nog eens. Zijn stem klinkt al zwakker. Hij kijkt mij aan alsof de twijfel heeft toegeslagen, alsof hij niet zeker meer weet of wat hij ziet, wel werkelijk de moeite waard is. Zoekt hij naar bondgenootschap?
– Ja, joh, zeg ik en ik knik.
Mijn wangen voelen ineens warm en nat. Vanaf mijn onderste ooglid is traag een stroompje gaan vloeien nu ik zijn diepste verwarring doorvoel. Ik wend mijn gezicht van hem af naar het water.
Papa en Theo vertrekken en roepen de jongen mee te komen.
– Ah, zo gauw al! Er zijn pas twee schepen voorbij gekomen. Het is zo mooi.
Toch gaat hij gehoorzaam mee.
Zijn teleurstelling snijdt dwars door me heen. De arme jongen, die zijn blijdschap wil delen omdat hij zijn geluk even niet op kan, zal zich nog heel vaak in de steek gelaten voelen omdat wat hij wil delen niet wordt aangenomen. En hij zal zich telkens vertwijfeld afvragen of hij zich heeft vergist. Wat een eenzaamheid.
De vader wil ik toeschreeuwen:
– Man, kijk nou eens naar je jongen, zie je niet hoe wanhopig hij bezig is van zijn geluk ook jouw geluk te maken? Kom naar beneden en zet je oogkleppen af.
Maar ja, waar bemoei ik me mee.
© jvs

Advertenties

Wat is jouw verhaal?

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s